Ons Zeeland 1929, nummer 14

Vorige nummer Volgende nummer Terug naar de foto's Zoeken in alle teksten

DE ZEEUWSCHE WEEK

Suiker-moeilijkheden; de "Zeeland" werkt niet; over het isolement van Schouwen-Duiveland; de middengroep en de prijzen der electriciteit.

Onvoorziene omstandigheden buitengesloten, zal de suikerfabriek "Zeeland" te Bergen op Zoom in de komende campagne geen suikerbieten verwerken. De aandeelhouders hebben de vorige week Woensdag aldus besloten. Men herinnert zich dat een aantal leden der coöperatie met het voorstel tot sluiting der fabriek op de proppen kwam en dat het bestuur zich daartegen verzette. Dit verzet heeft evenwel niet mogen baten. Na een zakelijke en rustige discussie (aldus 't communiqué aan de pers verstrekt. Deze had n.l. geen toegang) nam het bestuur het voorstel der opposanten over en niet algemeene stemmen werd besloten de dit jaar door de leden te leveren bieten aan de Coöp. Suikerfabriek en Raffinaderij Dinteloord te verkoopen voor f 3.- boven den prijs, welke Dinteloord in de a.s. campagne aan hare leden zal uitbetalen.

De leden hebben zich daardoor een vrij goeden prijs verzekerd. Zij het dan misschien ten koste van het eigen bedrijf.

Hoe of een en ander evenwel het volgend jaar gaan moet, is ons nog niet duidelijk. Zullen de leden van "Dinteloord" het volgend jaar er vrede mee hebben dat zij voor hun bieten fl 3.- minder ontvangen dan de leden der coöperatie "Zeeland"? Men kan zich wel eens een jaar een bijzondere geste permitteeren om de bieten der "Zeeland"-menschen uit handen van de gevreesde centrale suikennaatschappij te houden, doch op den duur zal zulks toch niet vol te houden zijn. Zelfs niet door een onderneming als "Dinteloord", die een, behoorlijk kapitaal achter zich heeft.

Het geheele suikervraagstuk is voor ons vol duistere punten, vooral in de toekomst. Enfin, waarschijnlijk voor ons niet alleen.

Vast staat evenwel, dat de thans gevonden oplossing voor de "Zeeland" geen ware oplossing is, maar een doorgangsmaatregel met tal van bedenkingen.

Zal "Dinteloord" gaan trachten op den duur "de" groote rol in de Zuidelijke suiker-coöperatie te spelen en zal het spel eindigen met de overeenkomst met de centrale? Of....?

Ja wat.... of?

x

Den laatsten tijd heeft de ligging van Schouwen-Duiveland ten opzichte van overig Zeeland en overig Nederland gelukkig nogal de aandacht. En in verband met die ligging wordt het woord isolement meer dan eens gebezigd. Zelfs de raad van Zierikzee is het er over eens dat het eiland meer geïsoleerd is dan wenschelijk genoemd moet worden. Deze raad heeft thans, naar aanleiding van een advies, uitgebracht door een commissie voor verkeersverbetering van het eiland met den vasten wal een request aan Ged. Staten van Zeeland gezonden, waarin om, gezegd wordt, dat de beste oplossing om Schouwen-Duiveland uit zijn isolement te verlossen, te vinden is in een krachtige verbetering van den veerdienst en de daardoor geldende tarieven van het veer Anna Jacoba Polder-Zijpe. De raad heeft zich reeds te dezer zake met een adres gewend tot den minister van Waterstaat.

Hoewel de raad van meening is, dat het geheel op den weg ligt van het Rijk, dat indertijd een concessie verleenden aan de Rotterdamsche Tramweg Mij., welke concessie thans -en hinderpaal voor een deugdelijke verkeersverbetering is gebleken te zijn, de behulpzame hand te bieden, acht hij het geenszins uitgesloten, dat het Rijk tot verbetering alleen dan zal medewerken, indien ook de provincie bereid is een financieel offer te brengen.

In het adres wordt verder de aandacht van het prov. bestuur gevestigd op hetgeen voor Schouwen-Duiveland en wat voor overig Zeeland gedaan wordt.

We helpen het Zierikzee hopen dat het request in de waarlijk ongunstige positie waarin Schouwen-Duiveland zich bevindt, een verandering ten goede zal brengen.

x

In Zuid-Beveland is men niet erg enthousiast over de electrificatie door de P. Z. E. M., of liever niet over de prijzen, welke de P. Z. E. M. voor de electriciteit zal vragen. Men weet, dat de Goesenaars electrisch licht zullen krijgen tegen den prijs van f 0.30 per K.W.U. en dat de bewoners der dorpen fl 0.45 zullen moeten betalen. 's Heerenhoek was de eerste gemeente die tegen het verschil in prijs opkwam en ze noodigde andere gemeenten uit om met haar tegen de fl 0.45 te protesteeren. Vele gemeenten betuigden adhaesie aan de uitnoodiging, andere namen haar voor kennisgeving aan. De actie heeft intusschen, geleid tot een vergadering van de gemeentebesturen uit Zuid- en Noord-Beveland in Goes. Verschillende burgemeesters voerden over de prijzen der electriciteit het woord en algexneen kwam tot uiting dat men het niet billijk vindt dat de P.Z.E.M. de bewoners der dorpen meer laat betalen dan de inwoners van Goes, Zij die aldus spraken, stelden voorop dat de P. Z. E. M. allereerst een overheidsbedrijf is en dat het doel heeft de geheele provincie van electriciteit te voorzien. Anderen wezen er op, dat Goes een lageren prijs kon bedingen omdat het aangetoond heeft zelf electriciteit tegen f 0,30 per K.W.U. te kunnen opwekken en omdat de electrificatie der middengroep staat of valt met de electrificatie door de P.Z.E.M. van Goes.

Deze laatste zienswijze kunnen wij deelen. De P.Z.E.M. moge een overheidsbedrijf zijn, ze mag toch in geen geval het koopmanschap uit het oog verliezen. Een prijs van f 0,45 per K.W.U. voor de dorpen achten we alleszins gerechtvaardigd, en verlaging van dezen prijs zal op het aantal aansluitingen ongetwijfeld niet van veel invloed zijn.

De vergadering benoemde een commissie, die met den Raad van Advies zal onderhandelen teneinde voor de dorpen en voor Goes dezelfde voorwaarden te scheppen.

We gelooven niet, dat het haar gelukken zal!

 

VAN EIGEN BODEM

Zeeland's Volksleven in den zomer

door

JAN VERMEER.

Het is zomer in Zeeland! Een egaalblauwe hemel welft zich, van einder tot einder, over de akkers en de weiden, over de duinen en de bosschen, over de steden en de dorpen, en over de wijde wateren die de eilanden van Zeeland in hun omarming besloten honden. De zon, hoog aan het uitspansel, verblindend van glansen, brandt op het witte strand, waar kinderen spelen en de zee aanruischt en weer terugwijkt. Haar stralen doen het gouden koren in de aren rijpen; als de wind er over heen vaart, buigen de halmen zich, en een zacht gemurmel stijgt op uit het veld. In de dichte, groene hagen, die de wegen omzoomen, bloeien meidoorns, wilde rozen en ligusters, en duizenden vogels zingen er, elk naar eigen trant, maar hun lied stijgt in een harmonieuse eenheid omhoog als een lofzang aan Hem, die al deze schoonheid schiep.

In de bosschen is het nu koel; er geuren welriekende viooltjes en rankende helmbloemen, wilde hyaeinthen, kornoelies en tallooze orchissoorten. Duizenden varens overdekken den vochtigen grond, en de luchtige bloemtrossen van eindeloos vele kever-orchissen wekken den schijn, alsof een grijsgroene nevel uit de aarde opsteeg. In de duinen groeit het duizendguldenkruid en de gaspeldoorn; de brem geurt er dag en nacht, en vlak bij zee bloeit de welriekende vlier. Daar rijst ook, uit het witte duinzand, de zeedistel op, en, schaarscher, de wilde duinroos. Meer binnenwaarts, in de weiden, woekeren de weide-orchideeën tot laat in den zomer, wanneer zij voor den zeis van den maaier vallen, en in de boerentuintjes groeien leliën en stokrozen en velerlei andere kleurige bloemen.

Het is zomer in Zeeland. De bloei der jaargetijden heeft zijn hoogtepunt bereikt, de natuur stort zich in overdadigen overvloed over dit schoone eiland uit, dat zich aan de schoonheid niet schijnt te kunnen verzadigen, dat nooit genoeg schijnt te kunnen krijgen van bloemenpracht en vogelenzang, van zoete geuren die de velden, de tuinen en de bosschen vervullen, van al de weelden die dit land tot een liefelijk paradijs maken. Als vogelnestjes, verscholen in het groen geboomte, liggen de dorpen; het kerktorentje heft zijn spits er uit omhoog, en de roode daken der boerderijen glinsteren er in den zonnegloed. Over de zee wieken, met tragen vleugelslag de blanke watervogels, of rusten uit op een zandbank, wit en glinsterend oprijzend uit de schuimende golven.

In de steden glijdt het leven nu stil en rustig heen. De uren vlieten er voort, als een onmerkbaar langzaam stroomende beek, naar den oceaan der eeuwigheid. De hooge gevels der oude huizen staan te droomen in den laaien brand der dagen, de zonbeschenen straten zijn leeg van menschen, en er is geen ander geluid dan het klokkenspel, dat, elk kwartier met haar ijle en vluchtige klanken de stilte verbreekt. Het schijnt of het leven er verstard is, de luiken voor de ramen zijn gesloten, er is alleen maar een wijde, alomvattende stilte.

Maar daarbuiten, op de boerderijen, in de dorpen, en overal op de velden, heerscht nu leven en bedrijvigheid. Midden in den "oest", den oogsttijd, wordt er van de vroege morgenschemering tot den laten avond hard en ingespannen gewerkt, en al wat werken kan, trekt uit naar het veld. Klaver, koolzaad, hooi, al de gewassen van akker en weide moeten worden binnengehaald en in de hooge schuren worden geborgen; het vlas moet worden getrokken, de gerst en de tarwe moeten worden gesneden. In den nazomer moeten de erwten en boonen worden geplukt, en op het einde van September worden de aardappelen gerooid. Eerst dan breekt, met de "baemisse", een tijd van rust voor den boer aan.

In vroeger jaren, toen de meekrapbouw in Zeeland nog bestond, en met name op Schouwen en Duiveland het belangrijkste gewas was, bezorgde deze teelt aan honderden handen werk en verschafte aan vele gezinnen brood. In April, vroeger of later naarmate het weer meer of minder gunstig was, sproot de meekrap uit. Dan werden de "kiemen", zooals men de uitspruitsels noemde, geplukt en op een ander stuk land "gezet" (geplant). Dit had gewoonlijk plaats in Mei. Eens of tweemalen in den "zettijd", die zes, zeven of acht werkdagen duurde, worden enkele spelen gehouden. Er werd geworpen met den zetstok, waaraan dan dikwijls de kruiplap (een stuk zeildoek, waarmee de kiemenzetter, die zijn werk knielend moest doen, zijn knieën beschermde) of alleen het touw van dan kruiplap vastgebonden was. Wie den kleinsten afstand wierp, was verliezer en moest het traditioneele halve pintje offeren.

In het tweede of derde jaar, naar den aard van den bodem, werd de meekrapwortel geoogst, d. w. z. de dunne wortels werden met een delfspa uit den grond gedolven. Meedelven was een zwaar handwerk, en de "voorman" zorgde er dan ook wijselijk voor, dat de boog niet altijd gespannen bleef. Als hij "staat!" riep, lieten alle delvers hun zware delfspade staan, zooals deze stond, en bogen zich overeind van den grond. Nu werden de "vierstaelen" uit den zak gehaald, ditmaal niet om een vonk te slaan in de "tinteltonne" (tondeldoos), maar om ze door de klucht van de spaden te werpen, die schots en scheef in alle richtingen door elkaar stonden. Wie het meest miste, had het verloren en moest trakteeren.

Op een andermaal moest ieder meedelver met beide handen zijn zware spa bij de punt recht voor zich uit dragen. Wie hem het eerst omlaag liet zakken, had het verloren en moest alweer trakteeren.

Maar soms ook zorgden anderen voor een hartversterking. "Krootespitters" scholden voorbijgangers de ijverig werkzame delvers, alsof het zware meedelven met het lichte uittrekken der krooten, dat een kind kan doen, te vergelijken was! En ze voegden er aan toe, als wisten ze niet dat de meedelver zijn spade roestvrij en blank moest houden:

Krootespitters, roeste spae,

Laet je spae wat gauwer gae!

of, nog minachtender en ruwer:

Krootespitters, roeste spae,

Laet je klauwe gauwer gae!

Dat was te erg. Een tweetal van de vlugste zneedelvers sprongen dan ook van hun werk op, om den schelder achterna te zetten, en hem, eenmaal gegrepen, te dwingen om tot straf een boete te betalen. Weigerde hij dit, dan werd de boosdoener (of boosdoenster) meegesleurd naar het meeveld en daar tot aan het middel in een kuil gegraven. En niet eer kwam de schuldige los, voordat de boete ten slotte toch betaald was, en het recht daarmee zijn loop had gekregen.

Maar de tijd, dat de meekrap op Schouwen en Duiveland het voornaamste gewas was, is voorbij; de heele cultuur behoort tot het verleden, en daarmede ook al de gebruiken, die er aan verbonden waren. 1)

Ook het feestelijke binnenhalen van den zaadoogst, de zaadfooi, eertijds op Walcheren en Zuid-Beveland algemeen gebruikelijk, bestaat sinds jaren niet meer, en is aan het jongere geslacht zelfs bij name niet meer bekend.

Het dorschen van het koolzaad, op het laatst van Juli of in het begin van Augustus, was oudtijds een feestelijkheid, waaraan jong en oud deelnam. Als de dorschvloer in het open veld gereed is gemaakt, en het zware koolzeil is uitgespreid, kan het dorschen beginnen. Twee vrouwen, de inlegsters, nemen een aantal zaadstruiken en leggen die in een linnen kleed, dat twee andere vrouwen, de draagsters, naar den zaadvloer dragen, waarop ze het uitstorten. Daar spreiden weer twee andere vrouwen, de aanlegsters, de zaadstruiken met een houten hark op een rij naast elkaar uit, en geven daardoor de vier dorschers gelegenheid het koolzaad met hun vlegels onmiddellijk te dorschen. Achter hen komt dadelijk de "pluimgraaf-" "hengstboer' die met een lange stok de struiken omkeert, opdat ze ook nog aan de keerzijde gedorscht kunnen worden. De uitgedorschte struiken worden dan achter de dorschers met behulp van den pluimgraaf opgenomen en in bossen gebonden.

Koolzaad dorschen is een zwaar werk, en al worden de dorschers telkens afgelost, toch moet er van tijd tot tijd door al het werkvolk enkele oogenblikken gerust worden. Dat oogenblik is gekomen, als een der binders "bier en jenever" roept, ten blijke dat honderd banden tot het opbinden van zaadstroo zijn verbruikt. Het vroolijke en regelmatige kloppen der "vluien" (vlegels) op het rijpe koolzaad wordt nu verbroken, want terstond slaan de dorschers allen tegelijk. Dit "vos-man-slaen", ook wel "jeneverslag" genoemd, is het sein voor een tractatie, die door den boer zelf wordt uitgereikt.

Bij het koolzaaddorschen is de arbeid zoo verdeeld, dat allen voortdurend aan het werk zijn. Dit veroorzaakt een zekere opwinding, want de dorschers trachten geregeld, door snel en hard met den vlegel te slaan, de draagsters voor te zijn. Gelukt hun dit, dan slaan ze met hun vlegels op het zeil en roepen triumfantelijk: "Brand! Brand! Het zeil staat in brand," zoo lang tot de draagsters met volgeladen zeilen komen aanhollen en een eind maken aan het oponthoud.

De vreemdeling, die bij ongeluk zijn voet op het koolzeil zet, begaat daarmee een onrechtmatige daad. Hij wordt in het draagsterszeil gevangen genomen, en met eenig eervertoon worden hem "z'n voeten geveegd", met de woorden:

Ik veeg u hier de voeten met fatsoen,

En 't is om een dikke fooi te doen!

aan welken vrij duidelijken wenk natuurlijk terstond gehoor wordt gegeven.

Wanneer eindelijk al het koolzaad gedorscht, en het laatste zaad op den wagen geladen is, komen twee vrouwen met de gekroonde "meie" aandragen: twee aan elkaar gebonden wilgentakken, met bloemen versierd. De zijtakken zijn met gekleurd papier omwonden en hier en daar met rood papieren kroontjes bezet, terwijl in het midden van de boog een grootere kroon hangt. Een paar gevulde zaadstruikjes ter weerszijden ontbreken nooit aan dezen versierden meitak, die reeds op vorige avonden door de vrouwen en meisjes gereed is gemaakt. Nadat nu door de meisjes aan al de mannen en vrouwen kroontjes op de borst zijn gehecht, wordt deze meie door de beide genoemde vrouwen driemaal rondom den zaadvloer gedragen. Voor haar uit loopen de twee oudste vrouwen met een leeg draagzeil, achter haar komen twee meisjes met het laatste zaad in het zeil. Hierop ligt een eveneens met gekleurd papier gekroonde Goudsche pijp, die tot zoolang in een doos tusschen het stroo van den zaadstrooberg verborgen was gehouden. De laatste twee draagsters, eveneens met een leeg zeil, besluiten dezen zonderlingen optocht, waarbij zich tenslotte ook de mannen, met hun gereedschap op den schouder, en allen twee aan twee, aansluiten. Voor den boer houdt de stoet halt; een der meisjes biedt hem de versierde pijp aan en zegt daarbij de volgende versregels op

Baas! hier heb je 't laatste van je zaad.

't Is te hopen dat het 't volgende jaar weer zoo gaat.

Hier heb je een meie, niet hoog van waarde,

Zij is gesproten uit de aarde.

't Is een meie zeer vigilant (zorgvuldig)

Afgesneden uit den kant (slootkant).

't Is een meie van veel takken,

Met de wensch van vele zakken,

Alle zakken vol en rond,

Ied're zak van prijs twee pond.

't Is een meie van geel en groen,

Ons is het om de fooi te doen,

Niet alleen van bier en wijn,

Maar ook gesuikerde brandewijn.

Een algemeen hoera-geroep is het antwoord op dezen wensch, en onder de gekroonde meie steekt de boer zijn mooi versierde pijp aan.

Maar de mannen zijn nog niet tevreden. Een van hen, die den grappenmaker wil uithangen, springt boven op den hoop zaadstroo, en plaatst daarin een grove groene tak, niet een enkel kroontje voorzien, dat ook een meie moet verbeelden. Is het wonder dat de vrouwen en meisjes hem daarmee voor den gek houden en uitjouwen? Maar de grappenmaker is daardoor niet in het minst ontmoedigd, en met een van zijn kameraden die beneden staat, begint hij een tweespraak en roept:

Daar komt hij an!

waarop de vraag luidt:

Wat heeft hij an?

en het antwoord is:

Grijs, gras, grauw,

Van allerhande blauw.

Wij krijgen nu nog brood met ham,

Van 't krentenbrood een boterham,

Daarbij een bosje drooge visch,

Wat zeker daar wel goed bij is.

Ook lange pijpen en tabak,

Een fooitje geld nog in den zak.

Nu gaat de "sukerkomme" rond, geheel gevuld met brandewijn, waarin zouten bolletjes drijven, en dan wordt de tocht naar de hofstede aangevangen. De knechts hebben de paarden voor de wagens gespannen en de twee vrouwen met de meie zetten zich neer op de zakken met zaad. Op de plaats van bestemming aangekomen, gaan ze naar de deur van het woonhuis, waar de "vrouwe" verschijnt, die op dezelfde wijze geluk wordt gewenscht, en die het werkvolk op dezelfde wijze tracteert.

Maar het feestelijk karakter, dat in vroeger jaren aan het koolzaaddorschen verbonden was, is meer en meer verloren gegaan. In de 17e en 18e eeuw huurden de boeren soms een speelman, en werd er gezongen en gedanst op de dorschdagen. Toen kende men nog de luidruchtige oogstfeesten, waarbij ook buren en vrienden werden genoodigd. Langer heeft het oogstmaal, uitsluitend voor de eigen arbeiders, zich stand weten te houden. Onder de boomen op het erf werd een tafel neergezet, samengesteld uit een paar planken op schragen. Even eenvoudig was het maal zelf, dat meestal bestond uit koffie en brood met ham, vervolgens boterhammen van krenten- of wittebrood met kaas. Na den maaltijd dronk men nog een glaasje brandewijn, en rookten de mannen als groote heeren uit lange Goudsche pijpen. De avond werd verder feestelijk doorgebracht en zingende keerde men huiswaarts nadat allen van den baas een kleine gift in geld hadden ontvangen. Maar ook het oogstmaal behoort zoo goed als overal tot het verleden, en wordt alleen in de herinnering van ouden van dagen bewaard. 2)

In dezen zelfden tijd wordt ook de tarwe binnengehaald. Achter de oogsters loopen de arenraapsters, en als de hoog-opgeladen menwagen van het veld rijdt, mogen zij, krachtens een overoud gewoonterecht, hun zakjes achter aan den wagen hangen, en er zelf opklimmen. Als het laatste voer naar de schuur wordt gereden, is de wagen getooid met de groene meitak, thans onversierd maar een halve eeuw geleden nog getooid met de verschillende halmen van den oogst. Als de wagen in vollen draf de schuurdeuren binnenrijdt, plant de knecht hem met een forschen zwaai in het rieten dak. Ook wordt deze oogstboom wel aan het hek van de boerderij gespijkerd, waar hij, kaal en bladerloos, den heelen winter zijn naakte takken omhoog steekt als een teeken, dat de oogst binnen is. Hetzelfde gebruik had vroeger plaats bij het binnenbrengen van het laatste voer hooi.

De zomer is voor de Zeeuwsche boeren een tijd van hard werken, van taaien, ingespannen arbeid. Maar de zomer is ook de tijd van de kermissen in Zeeland.

Sommige dorpen beginnen daar al heel vroeg mee. Groede heeft zijn kermis op Paaschmaandag, Hulst op den Zondag voor Pinksteren. Maar met het Pinksterfeest begint de eigenlijke kermisviering pas, die tot in October voortduurt. Een groot aantal Zeeuwsche dorpen viert (of vierde) kermis op tweeden of derden Pinksterdag, en vele op de beide dagen, zoo: Arnemuiden, Souburg, Serooskerke, Koudekerke, Nieuwland, Oostkapelle, Schuddebeurs, Nieuwerkerk, Eede, Graauw, Axel, Cadzand, IJzendijke, Nieuwvliet, Retranchement, Rapenburg en Zuidzande. De kermissen van Souburg en Nieuwland zijn op Walcheren de meest bekende Pinkster~kermissen, en nergens wordt zoo goed ringgereden als in deze dorpen. De tijden waarin men zich vermaakte met balslaan, klootwerpen, hoefijzerschuiven, en wreedere vermaken als kat-, gans- of zwaanknuppelen, behooren tot het verleden maar de koek- en galanteriekramen, met hun spiegels in vergulde lijsten tusschen roode draperieën, ontbreken op geen enkele Zeeuwsche kermis, zoomin als de draaimolens. En nu kan het jonge volk naar hartelust dansen, de Zevensprong, Jaapje sta stil, en Jan Pierewiet, en natuurlijk ook alle mogelijke walsen en steps. Een chaos van geluiden stijgt van het anders zoo stilte dorpsplein omhoog, en in den avond is de hemel rood van den walmenden schijn der lampen.

Den derden Donderdag na de Pinksterweek is het kermis in Oostburg en den vijfden Vrijdag na Pinksteren in Schoondijke.

Ook op of omstreeks St. Jan (24 Juni), het feest van Johannes den Dooper, aan welken heilige vele kerken in Zeeland gewijd waren, vieren verscheidene Zeeuwsche dorpen hun kermis. Bekend is vooral die van Domburg, die vroeger tegelijk werd gehouden met de paardenmarkt. Oudtijds maakte het Bestuur van deze smalstad daar vrij wat werk van; het liet muzikanten komen, die bij het begin en einde hun trompetgescha deden hooren, waarvan het later ontstane intrommelen van de kermis wel een overblijfsel zal zijn. De ruiters, die hun paarden ter markt brachten, werden op bier onthaald, soms werden prijzen gegeven, en eens zelfs, in 1593, werd drie pond vlaamsch (f 18,-) betaald aan iemand, die op de paardermarkt van den toren vloog. Destijds duurde de kermis acht dagen, en vooral 's Zaterdags viel haar van de bewoners van het platteland van Walcheren een druk bezoek te beurt. 3)

Begin Juli hebben Breskens en Westkapelle kermis, en is het Heintjeszandsche markt, op de Goesche na de voornaamste en drukst bezochte kermis van Zuid-Beveland. In het midden der maand heeft Vlissingen, en een week later Middelburg zijn kermis. De Middelburgsche kermis is de oudste van heel Zeeland. In 1323 werd ze door graaf Willem III ingesteld, en veertig jaar lang bleef zij de eenige jaarmarkt van het gewest; eerst in 1361 schonk Albrecht van Beieren een vrije jaarmarkt aan Westkapelle, en zeven jaar later aan Vlissingen. De Middelburgsche kermis, die nog in het laatst der 18e eeuw met trompetgeschal werd aangekondigd, duurde aanvankelijk vijf, later veertien dagen, welk aantal thans weer verminderd is.

Midden Augustus hebben Bruinisse en Kortgene kermis, eind Augustus Goes. De Goesche jaarmarkt dagteekent van 1417, en werd ingeleid door Jacoba van Beieren; oudtijds was ze dermate vermaard, dat men zelfs in de graafschappen Artois en Henegouwen den betaaltijd van hetgeen omstreeks dezen datum betaald moest worden, bepaalde op of gedurende de jaarmarkt van Goes. En bekend is ze nog altijd, al is het dan tegenwoordig meer uitsluitend bij de bevolking van Zuid-Beveland.

Dan breekt September aan. Zierikzee, dat reeds enkele weken voor Paschen zijn halfvastenmarkt heeft gehad, heeft nu zijn beestenmarkt, met broedertjeskramen en draaimolens - maar zonder andere beesten dan de levenlooze van de caroussels. De kermisvreugde is er overigens niet minder om. Ook Sas van Gent en Ter Neuzen vieren nu kermis, en op het eind der maand, althans tot verleden jaar, Tholen. In vroeger jaren werd in deze stad veertien dagen voor de eigenlijke kermis des Zaterdags in den loop van den morgen de klok geluid, en dan liepen de jongens met papieren ezeltjes of molentjes, met krijt bestreken, die op de kleeren van andere kinderen werden afgedrukt. Een verklaring van dit eigenaardige gebruik is nooit gegeven.

Op den laatsten Maandag van September is het kermis in Elkerzee, de z.g.n. breede kermis, de laatste van alle dorpen en steden in Schouwen en Duiveland. Den laatsten Woensdag van de maand heeft Yerseke zijn kermis.

In het begin van October viert Hulst, dat den Zondag vóór Pinksteren al kermis had gevierd, deze nog eens over, en evenzoo doet Groede, dat op Paaschmaandag al aan de kermispret had geofferd. Maar dan zijn de kermissen in Zeeland ook afgeloopen. De "baemistied" breekt aan, het najaar komt over het land. De dagen worden al korter, de boomen laten hun blaren vallen, de kracht der zon wordt steeds minder, de trekvogels keeren naar zuidelijker landen terug. Alles duidt de nadering van den winter aan, van den winter die Zeeland een tijdlang als in doodsslaap zal verstarren, maar slechts om haar, wanneer het voorjaar weer aanbreekt, te doen ontwaken en herleven tot nieuwen bloei en nieuwe weelden.

1) A. van der Weijde, De verdwenen meekrapcultuur op Schouwen en Duiveland. (Archief Z. G. d. W., 1925, blz. 73-109).

2) A. Walraven en F. P. Polderdijk, Nieuw- en St. Joosland, blz. 22-26; B. J. de Mey, Serooskerke, blz. 138-141.

3) H. M. Kesteloo, Domburg in woord en beeld, blz. 138-139.

 

Om het bezit van Goes en Middelburg

door

D. A. DE STOPPELAAR.

III

De Vlissingers waren na Tseraerts mislukte operaties, die wij in ons vorig artikel verhaalden, ten hoogste verbolgen en sloten hem en de zijnen buiten de stad. Na eenigen tijd weet hij echter binnen de veste te komen.

Met méér succes slaagt de toeleg van de Rolle en de Rijk tegen Zierikzee. Deze plaats had een garnizoen van 400 Walen; den 8en Augustus gaat de stad over op voorwaarde, dat zij Oranje als stadhouder van Philips erkent. Niemand zal van zijn ambten ontzet worden; een ieder wordt lijfsbehoud gewaarborgd. 'n Nieuwigheid bij dezen overgang is wel de bepaling, dat niemand ten aanzien van den godsdienst zal worden lastig gevallen, m. a. w. de Katholieken mogen hun godsdienst blijven uitoefenen, terwijl hun geestelijken en kloosters geen overlast mocht geschieden.

Oranje bekrachtigt deze bepaling en de dappere Lieven Keersmaker, wiens goederen door Alva geconfisceerd zijn, wordt bevelhebber der stad. De Waalsche bezetting wordt nu veroorloofd met de wapens af te trekken, maar de Spaansche schepen, welke in de haven liggen, blijven in handen der Zeeuwen.

Onderwijl zet Alva het beleg van Bergen voort; zijn zoon doet Mechelen een schrikkelijk lot ondergaan. Maar de moed der Zeeuwen wankelt niet!

Na den mislukten aanval op Goes legt Tseraerts zich te Zoutelande; thans is Fortuna hem gunstig en weet hij den vijand te verslaan. Dan hervat hij 't beleg van Goes en heel Zuid-Beveland wordt door Zeeuwsche schepen geblokkeerd.

Met groote overmacht wordt de stad nu ingesloten, spoedig worden bressen in de muren geschoten en vindt de bestorming plaats. Doch de belegeraars worden zóó heftig ontvangen, dat zij met achterlating hunner stormladders moesten afdijnzen.

Entens snelt op Oranje's bevel te hulp. Doch diens troepen zijn tuchteloos en stichten meer verwarring dan nut.

Daar Alva inziet, dat het behoud van Middelburg nauw aan dat van Goes verbonden is, dirigeert hij van uit Antwerpen schepen; deze worden echter door Worst teruggedreven.

De oude en onverschrokken Mondragon onderneemt nu zijn uit militair oogpunt bewonderenswaardige poging tot ontzet over land. Met 3000 man verlaat hij Bergen op Zoom en trekt onder aanwijzing van een Spaanschgezinde Zeeuw, Blommaert, over killen en verdronken land naar Zuid-Beveland. Meer dan 4 uur marcheert men tot aan 't middel, tot aan de borst door het water. Een ieder draagt een zakje met kruit en beschuit op 't hoofd of om den hals. Op dien stouten tocht verdrinken enkele soldaten; de overigen bereiken tegen den avond Krabbendijke.

Aan de belegerden geven zij hiervan kennis door middel van seinen, als zij den zeedijk bij Valkenisse bereiken. 'n Panische schrik bevangt de Geuzen, die naar hun schepen vluchten; 700 man worden echter achterhaald en bijna allen in de pan gehakt. Mondragon met gejuich in de stad ontvangen, geeft terstond last de vestingwerken te vernieuwen en keert dan naar Brabant terug.1)

Entens vlucht met de zijnen naar Veere; vandaar poogt hij in gemeenschap met Tseraerts Arnemuiden te verrassen. Dit plan mislukt door het te vroeg afschieten van 'n geweer. Beiden weten dan niets beters te doen dan 't platteland af te loopen en de landhuizen van den bisschop van Middelburg en van Waterlander te plunderen; hoogstwaarschijnlijk uit woede over het mislukken eener nieuwe poging ter verovering van Mddelburg.2)

Die tegenspoed wekt opnieuw tegen Tseraerts misnoegen, dien men van kwade trouw beschuldigt, temeer daar zijn broeder zich in Spaanschen dienst bevond. Mismoedig draagt hij nu z'n post aan Jacob Smit over. In geschrifte verdedigt hij z'n gedrag, waarbij hij zijn lasteraars uitdaagt, hem bij den Prins aan te klagen, voor wien hij zich wil rechtvaardigen.

Daar echter niemand zulks doet, vindt de laatste geen reden hem te ontslaan.3) Hooft zegt: "Al zijn schuld lag daarin, dat hij geen lendenen had naar den last, want hij was op verre na niet opgewassen om met ongeoefend volk tegen oude soldaten en ervaren Hoplieden op te wegen, of zulk een woesten hoop volks in toom te houden." 4)

Mondragon's stoute tocht had onder de Zeeuwen groote beroering gewekt; toch versagen deze niet; honderden, ja duizenden treden tot de Zeeuwsche gelederen toe. 5)

Is de toestand te land niet zoo gunstig, op 't water ligt der Zeeuwen kracht. Cornelis Klaassen weet over Sluis eenige schepen te nemen, terwijl Keersmaker een vijandelijke vloot voor Holland bestemd, terugslaat en in Bergen op Zoem opgesloten houdt.

Dàn waagt Worst het de Spaansche schepen bij Rammekens aan te vallen; 'n roemvolle overwinning valt hem te deel. Tot onder het geschut van Rammekens weten zij doe te dringen. Zóver reikt hun durf, dat zij zelfs voor Antwerpen schepen kapen en zich in de stad wagen! De Veerenaars verbranden in de haven van Middelburg het admiraalschip van Beauvoir; de Vlissingers vernielen nabij Arnemuiden eenige bodems van Medina Celi. 6)

De Zeeuwen beheerschen dus volkomen de waterwegen.

Toch is de situatie uiterst wankel: Schouwen met Zierikzee zijn voor Oranje, Zuid-Beveland met Goes voor Alva; op Walcheren woeden het prinsgezinde Vlissingen en Veere tegen 't Spaansche Middelburg en Arnemuiden. Ongelooflijk is 't aantal burgers en edelen, welke in dien tijd opgehangen of verdronken zijn. 7)

Ondertusschen zoekt Oranje naar bondgenooten in den vreemde: Boisot wordt naar Engeland gezonden, om hulp aan Elisabeth te vragen.

't Belang dezer vorstin vordert, om één lijn met den prins te trekken: zijn beiden geen kampioenen voor de protestantsche vrijheid? Ook Walsingham aan het Fransche Hof werkt in dien geest. "Indien God den Prins van Oranje niet opgewekt had," schreef hij, "om Spanje werk te verschaffen, zou er bij ons (n.l. Engeland) reeds lang een gevaarlijk vuur ontstoken zijn," enz. En verder oordeelt hij: "Zij, die het goed met de Koningin meenen, oordeelen op grond der bewijzen welke Hare Majesteit onlangs van den kwaden wil des Spaanschen Konings ontvangen heeft, dat de goede staatkunde méér moet overhellen om den Prins te ondersteunen, dan te ontmoedigen; als de zaak in Holland mislukt, zijn wij in gevaar!"

En inderdaad die redeneering is juist. Want daar de Prins zich in Duitschland heeft teruggetrokken, zal Alva pogen z'n plan tegen Engeland ten uitvoer te brengen.

Naderhand is dat gebeurd met 't zenden der Armada, ten doel hebbend het protestantse regiem der koningin omver te werpen. Want al doet Elisabeth niets, haar toestand is ook précair: reeds treedt Alva in verstandhouding met den Hertog van Norfolk, het hoofd der Schotsche katholieken. En tòch weigert zij haar steun; waarom, dat in onbekend. Misschien woog haar gehechtheid aan de zaak der protestanten niet op tegen den afkeer een gewapenden tegenstand aan te moedigen, van welken zij den aard en de beweegredenen niet begreep. 8)

In Duitschland slaagt de prins al niet beter: veel beloften en niets doen was daar de taktiek der vorsten. 9)

Dan keert hij op aandrang der Staten naar Holland terug.

Ook Alva gaat het niet naar den vleesche: "zes jaar worstel ik met de grootste moeilijkheden: 300.000 kronen schoot ik aan soldijen voor sinds ik Spanje verliet; nòch hier, nòch daar, heb ik iets om van te leven. 10)

Ondertusschen duurt de strijd in Zeeland onafgebroken voort: Na 't opbreken van 't beleg van Goes, was het Middelburg door het doorsteken van den dijk der Westwatering en te water der Geuzenvloot, de proviandeering zeer moeilijk gemaakt. Sancho d'Avila tracht de stad van het noodige te voorzien en 'n vloot van 56 schepen zakt vanuit Antwerpen de Schelde af. Bij Lillo hebben de Vlissingers een 12-tal onbruikbare vaartuigen, geballast met steenen van het afgebroken Franciscanerklooster te Vlissingen, doen zinken.

De stroom spoelt echter alles weg. D'Avila weet nu tot voor Walcheren te komen, doch de Zeeuwen ontvangen hem zóó warm, dat 't gros der schepen genomen wordt en het overschot een goed heenkomen zoekt naar Antwerpen. Zóó, belangrijk acht Oranje deze overwinning, dat hij den Staten zijn vreugde ér over betuigt en 'n bededag gelast.

Nòg poogt d'Avila 'n tweede kans: na 'n hevig gevecht bij Neuzen en Borselen moet hij terug (22 April 1573) slechts enkele bodems lukt het in Middelburg te komen.

Admiraal Worst, door 10 Spaansche schepen omsingeld, weet, hoewel met z'n schip aan den grond vastgeraakt, den strijd vol te houden, tot ontzet komt opdagen. Anderen zeggen, dat hij z'n behoud te danken heeft aan 't springen van 'n vat buskruit op 't Spaansche admiraalschip. 11)

Oranje beseft 't bezit van eenige Vlaamsche zeehavens, b.v. Nieuwpoort; 's prinsen volk maakt zich van Sas van Gent meester. Een troep Geuzen bemachtigt Assenede en brandschatten dit. Doch die onderneming loopt daarmee dood: de graaf van Roeulx, stadhouder van Vlaanderen, verjaagt ze.

Nogmaals waagt Alva 'n poging tot ontzet van Zeeland's hoofdstad, daar van haar bezit, dat van 't heele gewest afhangt. Weer verlaat 'n vloot Antwerpen; alle schepen zijn met Bourgondische kruizen beschilderd, om hen beter te kunnen herkennen.

Sonnius, bisschop van Antwerpen, spreekt over vloot en bemanning plechtig zijn zegen uit en 17 April gaat de tocht naar Walcheren.

Daar èn Worst èn Ewout ziek zijn, is Lieven Keersmaker met 't bevel der Zeeuwsche vloot belast, tot Blois van Treslong, de Hollandsche admiraal, zal zijn aangekomen.

Te Borselen tast d'Avila de Geuzen aan, die na kort kanonvuur op Biervliet terugtrekken. De Koninklijken weten dan tot Vlissingen door te dringen, welks geschut hun veel nadeel doet. Dán keeren de Zeeuwen terug en 'n verwoed gevecht ontstaat: een der Spaansche schepen, "de Olifant", gecommandeerd door een Henegouwsch edelman, de Heer de Blicquy, wordt door de kapiteins Groeneveen en Everkitte omsingeld. Een matroos, Paul van Beveren uit Veere, heeft den moed het touw van dat schip, terwijl het anker lag en op den vloed wacht, te kappen, zoodat het onder de Zeeuwen drijft. Na een moorddadig gevecht van 6 uur wordt het dan veroverd en de heele bemanning met haar commandant afgemaakt. Men zegt dat na dien strijd, het schip een slachtersbank geleek. Een ander schip, "het Land van Belofte", werd door den Vlissinger Joost de Moor gekaapt en weggevoerd. Drie schepen raakten op zandbanken en vielen natuurlijk in handen der Zeeuwen; met de overigen wist d'Avila in Middelburg te geraken, hetwelk nu, evenals Arnemuiden, van leeftocht werd voorzien, doch zóó spaarzaam, dat weinig dagen later Anthonie van Bourgondië Alva bericht, dat men aan alles gebrek lijdt. 12)

(Wordt vervolgd).

1) Corr. Ph. II TII, p. 284-290. Bor. D I, B VI bl. 394.

Hooft: B VII, bl. 280,

2) Hooft: B VII, bl, 282, Le Petit: Chron. de Holl. T II, p. 229, 's-Gravezande: Tweede Eeuwgetijde, bl. 275-276.

3) Archives: T III, p. 453-460. Bor.: D I, B VI, bl. 394-395.

4) Hooft: B VII, bl. 282.

5) Corr. Ph II: T II, p. 291.

6) Swalue: Daden der Zeeuwen, bl. 44-45.

7) v. Meteren: Gesch. Ned. Oorl. B IV, bl. 85.

8) Archives: T IV, p. XV-XXXVI.

9) Blok: Dl. II, bl. 325.

10) Archives: T IV, p. 28.

11) Swalue: bl. 46-47.

12) ibid: bl. 48. Hooft B VIII, bl. 307. v. Meteren B IV, bl. 89. Archives: T IV, p. 82-90.

SPORT-IMPRESSIES

Korfbal.

De korfbalsport neemt in het Zeeuwsche sportleven eene voorname plaats in. Zij behoort tot de openluchtspelen en wordt - in tegenstelling b.v. met voetbal - zoowel door het vrouwelijk als door het mannelijk deel der samenleving beoefend. Moge dit reeds eene attractie zijn op zichzelf, toch mag de populariteit van het korfbalspel voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan het werkelijk-sportieve karakter, dat het draagt. Ruwheden en excessen zijn bij het korfbal zoo goed als uitgesloten en overigens biedt dit spel eene gezonde lichaamsbeweging en eene uitwisseling van behendigheden, die onder de spelenden eene gezonde rivaliteit ontwikkelen. De beoefening stelt ook geen zware materieele eischen aan de beoefenaars, want met twee korven, bevestigd aan verticaal-geplaatste palen, voorts een in vakken afgeteekend terrein en een bal, heeft men de attributen bijeen. Een gemengd twaalftal, gewoonlijk bestaande uit zes dames en zes heeren, vormt de maximale sterkte van elke partij, zoudat in een normalen wedstrijd twaalf speelsters en twaalf spelers het speelveld stoffeeren.

Hoewel van lateren datum dan het voetbalspel, is korfbal reeds geruimen tijd in ons land ingeburgerd. De Nederlandsche Korfbalbond, die 12 onderbonden en 105 vereenigingen omvat, dateert van 2 Juni 1903 en organiseert jaarlijks zijne districtsgewijze te verspelen competitiewedstrijden, kampioenschappen en internationale ontmoetingen. Ten aanzien van deze laatste categorie zij opgemerkt, dat alleen met België een jaarlijksche interlandkamp wordt aangegaan. De Hollandsche Korfbalsport heeft hierin tot nog toe eene, onmiskenbare superioriteit aan den dag gelegd, want overwinningen van 7-0 en 8-0, zelfs het laatste jaar van 10-0, voor het Nederlandsche Twaalftal, vormden de resultaten dezer krachtmetingen, waarin België nog steeds op zijne eerste overwinning wacht.

De Zeeuwsche Korfbalbond, waarbij vele Zeeuwsche Korfbalclubs zijn aangesloten en die van uit Goes, waar de secretariscompetitieleider woonachtig is, administratief en competitioneel wordt geleid, is een der z.g. onderbonden van den grooten N. K. B.

Dezer dagen vangt de zomercompetitie van den Zeeuwschen Korfbalbond aan. Deze roept weer honderden speelsters en spelers naar 't groene veld, waar een opgewekt sportleven heerscht en waar het populaire korfbalspel medehelpt, den geest frisch en het lichaam lenig te houden.

Wij nemen ons voor, nu en dan ook iets van het wel en wee der Zeeuwsche Korfbalsport aan de vergetelheid te ontrukken en meenen goed te doen, ter oriënteering van den lezer, bovenstaande inleiding aan het papier toe te vertrouwen.

Internationaal voetbal

Even willen we stilstaan bij den op Zaterdag 30 Maart l.l. te Vlissingen gespeelden internationalen voetbalwedstrijd "Vlissingen"-"Parkeston F. C."

Het is inderdaad eene goede gedachte geweest van de Stoomvaartmaatschappij "Zeeland" te Vlissingen om een zilveren wisselbeker beschikbaar te stellen voor de wederzijdsche ontmoetingen tusschen "Vlissingen" en "Parkeston F. C." te Parkeston Quay (Engeland). Door deze ontmoetingen toch worden goede sportieve verhoudingen gekweekt tusschen spelers en aanhang van beide plaatsen, terwijl in breede kringen de aandacht wordt gevestigd op onze gerenommeerde Flushing-route naar en van Engeland.

In September 1927 had de eerste ontmoeting plaats, eveneens te Vlissingen. Zij kun gevoegelijk worden beschouwd als proefneming, want eerst nadien werd de wisselprijs beschikbaar gesteld en bepaald, dat beide genoemde vereenigingen beurtelings te Parkeston Quay en te Vlissingen elkaar zouden ontmoeten. Die proefneming mag intusschen uitstekend geslaagd heeten, want zij toonde aan, dat er bijzonder groote belangstelling onder het voetballievend publiek van Vlissingen en omstreken voor dit soort wedstrijden bestaat. Men ziet goede sport, men kan wederzijdsche techniek bestudeeren en men is weer eens een wijle uit het competitiegareel, dat veelal weer andere eischen stelt aan spelers en toeschouwers dan de zuiver-sportieve sfeer van een internationalen wedstrijd, waarin de spelers elkaar en elkanders spelersmentaliteit niet kennen. Meergenoemde wedstrijd in 1927 leverde, na fraaien, spannenden strijd, een gelijk spel (3-3) op. Ongeveer een jaar nadien, dus in het najaar van 1928, stak "Vlissingen", vergezeld van de noodige supporters, het kanaal over om, na een goedgespeelden wedstrijd, met 3-2 door haar gewonnen, voor de eerste maal beslag te leggen op den fraaien beker.

En zoo stonden dan Zaterdag l.l. de beide elftallen voor de derde maal tegenover elkaar in het veld. "Parkeston F. C." kwam Vrijdags te voren in ons land en werd vergezeld van een zestigtal Parkeston-week-enders, die gaarne van de door de Maatschappij "Zeeland" verleende faciliteiten hadden gebruik gemaakt, om den overtocht te maken.

Schitterend weer begunstigde den wedstrijd, die door 2500 â 3000 toeschouwers werd bijgewoond. De heeren Waller en Jhr. Boreel, directeur van de "Zeeland", en de heer Van Bel, official van den Nederlandschen Voetbalbond, bezetten de z.g. eere-plaatsen, die gevormd werden door eene rij stoelen, die de bank-entourage onderbrak, terwijl vanuit Middelburg een belangrijk deel sportliefhebbers aanwezig bleek.

Het is een aardige, snelle wedstrijd geworden, waarin staaltjes van hoogstaand spel veelvuldig voorkwamen. Aanvankelijk zag het er voor "Vlissingen" maar somber uit, want de Engelschen demonstreerden een kranig spelletje, waar onze Zeeuwen geen vat op kregen. Hun combinatiespel was zeker goed en hunne balcontrôle stak gunstig af tegen die der Vlissingers, die het snelle tempo niet konden volgen. Na 25 minuten spelens was het reeds 2-0 voor Parkeston. Toen liet "Vlissingen" zien, wat ze waard is, zoódat nog vóór de rust de achterstand was ingeloopen. Gedurende de tweede helft waren de Zeeuwen sterk in de meerderheid; zij maakten nog drie fraaie doelpunten, terwijl "Parkeston" geen enkel punt hiertegen kun stellen, "Vlissingen" won alzoo met 5-2 en bleef bezitster van den beker, die definitief haar eigendom wordt als ook de volgende ontmoeting de zege in de Scheldestad doet belanden.

De heer Waller reikte het kleinood uit aan aanvoerder Kokelaar, terwijl de heer Jhr. Boreel aan elk der Engelsche spelers eene zilveren herinneringsmedaille overhandigde.

Het was een in alle opzichten geslaagde dag, de Zeeuwsche sport waardig!

Voetbal op Zondag a.s.

Op Zondag 7 April a.s. zullen onze Zeeuwsche N. V. B.-clubs de navolgende wedstrijden spelen:

2e klasse A.

Te Breda: Breda-Vlissingen.

Te Roosendaal: Alliance-Zeelandia.

Te Middelburg: Middelburg-D.O.S.K.O.

3e klasse A.

Te Neuzen: Terneuzen-Hulst.

Te Vlissingen: Vlissingen II-Middelburg II.

Te Zierikzee: Zierikzee-Zeelandia II (12 uur).

Te Middelburg: Walcheren-S.I.N.O.T.O. (l uur).

LUCTOR ET EMERGO.

UIT EEN JEUGD

Herinneringen aan Zeeland

door

JAN R. Th. CAMPERT.

XXIV.

Veere.

Het is, na Ritter, moeilijk om over Veere te schrijven. In zijn kostelijke "Zeeuwsche Mijmeringen" heeft hij de sfeer van dit vergeten stadje zoo klaar en doorzichtig geschilderd dat het welhaast noodeloos lijkt om er nog verder woorden aan te wijden. Dat ik tòch daartoe overga, zit m alleen in het feit dat ik Veere binnen het korte verband mijner herinneringen niet kan en wil missen.

Het zal wel niet de eerste maal geweest zijn dat ik er binnen kwam, maar geen enkele keer staat mij zoo duidelijk nog voor den geest, geen enkel beeld bleef zoo scherp en helder binnen het bereik mijner gedachten.

Den ganschen dag had een loome stilte gewogen over het water, dat glad en volkomen onbewogen spiegelde onder een harde zomer-zon. Onze boot, alle zeilen op, lag aemechtig stil, er was geen beweging in te krijgen en waarom ook? Wij lagen languit op het dek, af en toe sprak er iemand een volkomen overbodig woord. Daarna viel de stilte nadrukkelijker dan ooit te voren. Aan den horizon schemerde het eiland Walcheren. Men zag den statigen Westkappelschen wachter en daarachter spitste fijn en ijl de Lange Jan tegen den wazigen, trillenden hemel.

Soms werd er plotseling een onverwachte activiteit in ons wakker. Wij schudden de loomheid van ons af en even later spetterde en klaterde het water rondom de boot hoog op. In den laten namiddag begon er een kleine koelte te waaien, die onze zeilen vulde en dit ons het Sloe binnen deed drijven.

Veere! Het ligt daar aan den hoogen waterkant zoo vergeten wellicht als geen plaats ter wereld en als geen plaats ter wereld daar neergezet met zulk een geraffineerde achteloosheid.

Het is een bekend feit dat wie Walcheren bezoekt, als vanzelfsprekend naar Veere gaat. Men blijft er een dag, twee dagen, men verorbert de traditioneele lunch in den Campveerschen toren, laat zich rondleiden door het Schotsche Huis, waar de Veersche schilders exposeeren, en men bezoekt het stadhuis, waar de vriendelijke, grijze veldwachter er zijn historische kennis zal opdisschen. Hij zal uw aandacht vestigen op de vierschaar, waar de oude zee-stukken plechtig aandoen boven de even plechtige banken der schepenen en één oogenblik zult gij op deze plaats den tijd, den meedoogenloozen tijd, zijn vergeten. Gij zult er zoo rustig vertoeven en deze sfeer zal u zóó vertrouwd zijn alsof er nooit sindsdien eeuwen zouden zijn verstreken. Dit is het wonder van dergelijke plaatsen: dat zij ongerept en volkomen een oude sfeer bewaren, waaraan elk gevoelig mensch onvermijdelijk ten prooi valt en zóó ook is gansch Veere.

In Veere ligt een wonderlijk geheim besloten, dat u roept, maar waarvan gij den oorsprong nooit zult kennen.

In een gesprek, al weer jaren geleden met Mevr. Lucy van Dam van Isselt, zei zij mij eens, sprekende over haar werk, dat zij trachtte het licht in Veere te schilderen, dien heimelijken glans die te leven begint over bloemen en rondom de oude huizen. Deze sfeer van licht en stilte is het geheim van Veere. Het licht in den morgen, in den middag en vooral tegen den avond, ijl en doorschijnend als nergens anders ter wereld. Van eenzelfde besloten teederheid als enkele verzen van Leopold. Het ligt om de huizen, de oude, voorname woningen langs het water en het houdt heel Veere omvat als een kostbaar juweel.

Later op den avond komt zijn makker de stilte - ik stond een avond op het hoofd, de bewoners sliepen, enkel schemerde hier en daar door de boomen nog een schaarsche, gele lamp het water liep monotoon en eenzelvig langs de hooge palen, als gevallen vogels lagen de schepen, opgetrokken tegen het slib. Een enkele zeevogel-kreet verdiepte nog deze stilte....

Misschien vergingen uren, ik weet niet, maar wel weet ik dat ik nooit inniger in contact was met het geheim dat Veere verbergt.

 

DE SCHELDE-ZENDER

Hallo, hallo........

Hier is het draadloos uitzendstation de Schelde-Zender! Vindt u het interessant, te hooren:

- dat de foto-pagina's in het vorige nummer van "Ons Zeeland" bijna alle verband hielden met 1 April. Niemand heeft natuurlijk zulks begrepen.

- dat een patiënt in het Gasthuis te Goes te bed liggende, dank zij de medewerking van den rijks-telefoondienst, met zijn zoon in Indië kon spreken.

- dat een Zierikzeesche familie een os slachtte die 1000 pond woog en 138 pond aan vet bevatte. Wás 't een osje?

- dat Minister Lambooy de vorige week in ons gewest vertoefde en o. a. den loodsdienst in Vlissingen bezocht.

- dat bij het kustlicht te Westkapelle het lijk van een onbekende vrouw aanspoelde.

- dat onze provincie momenteel in het teeken van zorg voor de blinden staat.

- dat Philips uit Eindhoven er niet aan denkt in Z.Vlaanderen een verzendhuis voor Engeland in te richten.

- dat een inwoner van IJzendijke onder een koppel hollende paarden geraakte. Hij werd zwaar gewond.

- dat ten nadeele van een tijdelijk inwoner van Ierseke een belangrijk bedrag aan geld ontvreemd is. De politie is op zoek.

- dat de Zeeuwsche Landbouw Maatschappij met algemeene stemmen besloot het inititief-voorstel-v. d. Heuvel tot steunverleening aan bietenverbouwers te ondersteunen.

- dat men bezig is de Stationstraat te Goes belangrijk verbreeden. Hetgeen niet overbodig is.

- dat bij de ter aardebestelling van het stoffelijk overschot van den heer Deibel, hoofdredacteur-directeur der "Middelburgsche Courant" gebleken is wel een groote figuur en knap journalist aan de samenleving ontnomen werd.

- dat de arbeider uit Waterlandkerkje, wegens moord door de rechtbank te Middelburg veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf, in hooger beroep is gegaan. De officier van justitie eveneens. De eerste wij minder, de laatste meer straf.

- dat in Heinkenszand een motorrijder uit Borssele in aanraking kwam met een auto uit Goes. De eerste werd vrij ernstig gewond.

- dat de verbouwing en begrooting van de Goesche Ambachtsschool van Overheidswege langer wordt tegengehouden dan wenschelijk is.

- dat er in de afgeloopen week in Zeeland ettelijke Paascheitjes geknapt zijn.

- dat de eerste kermis in het land, n.l. die te Haasweert, weer tot het verleden behoort.

- dat de burgemeester van Ierseke Woensdag j.l. afscheid van zijn gemeenteraad nam.

- dat 100 Engelsche journalisten eenige dagen hun intrek namen in hotel "Britannia" te Vlissingen en per autocars door Walcheren toerden.

- dat de heer Von Brucken Foek ontslag nam als lid van den gemeenteraad van Zoutelande.

- dat mr. Fokker, de onlangs overleden burgemeester van Zierikzee, aan de gemeente een kast vermaakte, inhoudende modellen van alle in Zeeland voor de visscherij gebruikte, schepen, vischtuigen enz.

Wij sluiten nu tot volgende week Vrijdag........ Adieu ........

 

HET DAGBOEK VAN PHILEMON ZIJDEWIND

27 Maart. - De lentelucht is als kloosterbalsem voor mijn oude gewrichten. Heb maar één paar wollen sokken aangetrokken en,'n fleurige strop op mijn overhemd gestrikt. Weg met alle aamborstigheid! Wat kuchen wil moet naar Bronbeek. Ik, Philemon Zijdewind, voel mij weer jong en levenslustig worden en heb mijn Singeltje met grooter animo dan ooit geloopen. Vervolgens in het gezelschap mijner vrienden ernstig de dingen van den dag besproken. In China heeft het ontluikende voorjaar den oorlog weer doen opleven. Ze wilden wel gaarne den vrede, maar er waren nog een paar millioen soldaten over de hand; die moeten nu eerst op. Vriend Mussolini heeft met zijn "alles-of-niks"-stemming veel succes behaald. De groote meerderheid koos alles. Het botert met den dictator in Italië beter dan in Spanje. Breeduitstra, aan wiens oordeel ik nog al waarde hecht in buitenlandsche zaken, meent dat dit komt, omdat ze in Spanje niets geen vrees meer voor Sinterklaas hebben. Thuis liggen de zaken een weinig overhoop. Onder het parool: "het moet eerst erger, wil het beter", houden de schoonmaaksters huis, Liesbeth is in voortreffelijke stemming. Vanmiddag zong ze zelfs een aria uit. "Figaro's Hochzeit". Ik heb mijn hoofd uit het raam gestoken zoo lang, omdat ik niet graag zou hebben, dat de voorbijgangers dachten: "die Zijdewind slaat zijn vrouw".

28 Maart. - 't Is weer mooi en 't is mooi weer. In de vrije natuur eenige ademhalingsoefeningen gedaan. Ik had het vaste voornemen gemaakt om vandaag eens te beginnen aan een gedegen studie over de hersenen, maar toevallig had ik wat anders in 't hoofd, daar we in "Taveerne Stortebeeker" woorden kregen over den prins-vorst van Monaco. Majoor Hetemelk meende dat het geen echte prins was, omdat hij leefde van een speelbank, wat door Krimp van Dulmen betwist werd. Ik heb daarop de zaak in studie genomen en ontdekt, dat bedoelde monarch voor eenige dagen in zijn paleis bestormd is door onderdanen, die een grondwet wilden. De prins beloofde dit, doch toen hij weer veilig was, trok hij zijn woorden in. Het zal toch wel 'n echte prins zijn, denk ik.

Wegens vacantie vanmiddag met de kinderen gewandeld. Erg veel plezier gehad. Nadat Jossie m'n lorgnet had weggekaapt, heeft Beppie me den hoed over 't hoofd getrokken, waarop Wybo er in slaagde mij te doen struikelen. Het is nog veertien dagen vacantie.

29 Maart. - Vandaag radijs gezaaid aan de hand van 'n vakboek. Het vorige jaar hebben we den oogst verspeeld omdat wij te vroeg waren begonnen met het dagelijks uittrekken van eenige plantjes, nieuwsgierig als we waren of er reeds iets aan zat. Zal ons dit jaar niet meer overkomen. We zijn nu practisch geschoold. Voorts hebben we gemeenschappelijk gezocht naar bladluizen op de rozeboomen. Niets gevonden! Sientje dacht dat ze pas kwamen wanneer er bladeren waren. Hartelijk gelachen, hoewel ze toch misschien gelijk heeft. Zal 'n handboek aanschaffen.

30 Maart. - Heb 'n Paaschei van chocolade met botercrème gevuld óp de stoelen van de kinderen gelegd. Jossie is er op gaan zitten! Hief een noodgeschrei aan. Tantaluskwelling. Dat het nu ook juist op 'n plaats zit waar hij er met z'n mond niet bij kan komen. Vanmiddag hebben de kinderen leuk gespeeld in den tuin. Ik kon 's avonds mijn radijsperkje niet meer terug vinden. "Wijs mij de plek waar ik gezaaid heb", zei ik Multatuli na. Die mogelijkheid heeft mijn handboek niet voorzien. Had ik nu maar een van "A-tot-Z-polis!"

31 Maart. - Oom Robbert en tante Louise kwamen uit Poeldijk bij ons het Paaschfeest vieren. Ze hadden gekookte eieren van eigen kippen meegenomen. Dat wil zeggen, ze hadden na het leggen de eieren gekookt voor veiliger vervoer, Safety furst! 'n Succes werd deze afdeeling van het menu niet, omdat Sientje het cadeau nóg eens gekookt had. Enfin, je kon er nu zonder gevaar op gaan zitten. Oom Robbert, die destijds zijn ouders beloofd heeft nooit een leugen over z'n lippen te laten komen, sprak nog erger door zijn neus dan anders. Alles leert of wel: oefening baart kunst.

1 April. - Vond vanmorgen een natte spons in mijn pantoffel, een lucifertje in het roer van mijn pijp en 'n gespannen muizenval in den zak van m'n huisjasje. Toen begreep ik, dat het 1 April was. De vrienden vandaag ontweken en gezellig met oom en tante gepraat. Menschen van ervaring! Ze waren er van overtuigd, dat je beter kippen kon houden dan dienstpersoneel en zetten dit in den breede uiteen. Liesbeth liet zich niet veel zien. Sientje had een vrijen dag en ze heeft het meer op haar eigen familie. Nu ja, tenslotte kan oom Robbert het ook niet helpen, dat hij maar een broer van mijn vader is. Je moet altijd redelijk blijven, vind ik.

DE O.Z. PRIJSVRAAG

In ieder nummer van ons blad verschijn4 een 0.Z.-prijsvraag, voor de goede oplossing waarvan wij tien gulden beschikbaar stellen. Dit bedrag wordt niet verdeeld, dus iedere prijsvraag kan slechts één winnaar opleveren. Inzendingen moeten geadresseerd worden aan de AdrninistratiE te Middelburg. De redactie beslist daarop aan wie de prijs wordt toegekend. Tegen hare beslissingen kan geen hooger beroep worden aangeteekend. Ook zullen we over 0.Z.-prijsvragen niet in briefwisseling treden.

 

VEREENIGINGSNIEUWS

Zeeuwsche Vereeniging Dordrecht. - Het is den Zeeuwen eigen, waar zij zich ook buiten het gewest bevinden, altijd Zeeuw te gevoelen. Meermalen hoort men van hen, hetzij te pas, ook wel te onpas: "ik ben Zeeuw of Zeeuwsche", hierdoor uitdrukking gevende aan een zekeren trotsch, z.a. op den worstelstrijd der Zeeuwen, op ons mooi gewest, vooral ook op het "goed Zeeuwsch, goed rond", of wel het gemoedelijke, landelijke, eenvoudige leven in onze provincie. Al deze voorbeelden zijn in het kort omvat, in de keurige voordrachten, welke wij Woensdagavond 20 Maart mochten hooren. Op dien avond gaf onze Vereeniging een voordrachtavond, waarop mevrouw Wilson-Adema en de heer Corljé, beiden lid van "Zeelandia" te Den Haag, voor ons optraden. Het was een genot dien avond alles te hooren, de voordrachten of causerie, n.l. "Schouwen en Duiveland". "Zeeland en Wij", "'n Aevend op Gaepinge" en "Ielk mensch kriegt wat 'm opgeleid is". Keurig verzorgd, op een zeer aangename spreekwijze, en met zeer veel talent voorgedragen, boeiden allen, we waren weer Zeeuw.

Hoe wist de spreekster ons te voeren door ons mooi Schouwen, met aan eene zijde de trotsche zee, aan de andere zijde de mooie duinen, het mooie land, aangename herinneringen werden weer opgewekt.

Het meest trof me de causerie Zeeland en Wij. Mevrouw Wilson was hier Zeeuwsche die tot Zeeuwen sprak, hier gevoelde men dat het niet oppervlakkig was, hier was het de liefde tot het gewest, die spreekster aan ons vertolken mocht, dat gevoelen zij het meest, die buiten ons gewest wonen.

De beide andere voordrachten typeeren het echte Zeeuwsche dorpsleven. De heer Corljé was dien avond best, ook als conferencier, de aardige cabaretliedjes sloegen in, het was niet ons bezighouden, neen, het was meer dan dat, we hebben dan ook een avond gehad van intens genot, een echten Zeeuwschen avond. Het spontane applaus, dat telkens na een voordracht of zangnummer klonk, was voor onze gasten zeker wel het bewijs, dat het door hen gegevene zeer werd geapprecieerd.